Færøer Eilanden

 

Færøer Eilanden

De Færøer Eilanden zijn gelegen in de Atlantische Oceaan temidden tussen Schotland, Noorwegen en IJsland. Het is een autonoom gebied binnen het Koninkrijk Denemarken. De hoofdstad is Tórshavn.

Een internationale reispas met geldigheid tot 6 maanden na terugkomst, is voor Belgen noodzakelijk om naar de Færøer te reizen. Hoewel staatskundig behorend tot Denemarken, met een grote mate van zelfbestuur, behoren de eilanden niet tot de Europese Unie en de Schengen-zone.

Oppervlakte: 1400 km²
Tijdzone: GMT+0
Munteenheid: Deense Kroon (DKK)
Taal: Faerörsk
Inwoners: 49.000
Bevolkingsdichtheid: 34 inwoners per km²

 

Geografie

 

De Færøer Eilanden behoren tot Denemarken en liggen in de Atlantische Oceaan 300 km ten noorden van Schotland en 450 km ten zuidoosten van IJsland.

Ze bestaan uit 21 eilanden waarvan Streymoy, Eysturoy, Vágar, Suðuroy en Sandoy de grootste zijn. De eilanden kunnen grofweg verdeeld worden in vier geografische gebieden.

In het midden van de eilandengroep liggen Streymoy en Eysturoy, de twee dichtstbevolkte eilanden.

Ten westen van Streymoy liggen Vágar en het schitterende Mykines, het meest westelijk gelegen eiland bekend om zijn gevarieerde vogelpopulatie.

Ten noordoosten van Eysturoy liggen de ruige eilanden Kalsoy, Kunoy, Borðoy, Viðoy, Svínoy en Fugloy. Op Borðoy ligt de tweede stad van de Færøer, Klaksvík.

De zuidelijke groep eilanden bestaat uit Suðuroy, Sandoy, Skúvoy, Stóra, Dímun en Lítla Dímun. Lítla Dímun is het enige onbewoonde eiland van de Færøer.

Gedurende de ijstijd waren de Færøer bedekt met ijs. Tegen het einde van de ijstijd, nadat het ijs begon te smelten, ontstonden de keteldalen, zeeëngtes en fjorden, die het landschap zo karakteristiek maken.

De noord- en westkust wordt gekarakteriseerd door steile kliffen tot 750 meter hoogte bij Enniberg op het eiland Viðoy. De oost- en zuidkust hebben een wat meer glooiend landschap. Het hoogste punt van de Færøer is de Slættaratindur met 882 meter.

De bodem bestaat uit basalt en tuflagen en heeft door het sterke afschuren van de bodem door o.a. verwering, ijs en wind een zeer wisselend reliëf (tot 862 m hoog) gekregen. De eilanden zijn hier en daar slechts door nauwe zeestraten gescheiden en staan onder invloed van een sterke getijdenwerking. Er is zeer weinig bos, voor een deel te wijten aan de eeuwenoude schapenteelt.

 

 

Klimaat

 

Het klimaat is relatief zacht en regenrijk onder invloed van de maritieme ligging. Het klimaat van de Færøer is te vergelijken met dat van IJsland al is het er over het algemeen iets warmer en het stormt er vaker. Neerslag in wat voor vorm dan ook, motregen, mist, sneeuw en regen, valt er op gemiddeld 280 dagen per jaar. Het weer kan op hetzelfde moment plaatselijk zeer verschillen.

Dankzij de warme golfstroom die langs de eilanden stroomt, is de temperatuur van het zeewater het gehele jaar door circa 10 graden en tempert daardoor de kou een beetje.

De gemiddelde temperatuur is in januari 3 graden en in juli 11 graden.

 

Fauna & flora

Ondanks het praktisch ontbreken van bossen ziet de Færøer er toch zeer groen uit. Dat komt door de meer dan 1.600 soorten planten, grassen, zegge, mossen, korstmossen en paddestoelen. Bloemen en varens groeien over het algemeen op beschutte plaatsen zoals ravijnen, waar de schapen niet bij kunnen. Bomen groeien niet door de zilte lucht, de sterke winden en de grazende schapen.

Het vogelleven op de Færøer is het meest opvallende aspect van het dierenleven. Door de planktonrijke zee en daardoor veel vis komen er zeer veel vogelsoorten voor. De Færøer is het gebied met de dichtstbevolkte vogelpopulatie ter wereld. Ongeveer 49 soorten broeden regelmatig op de eilanden en 30 soorten af en toe. Daaronder de komische papegaaiduikers die ook veel gegeten worden. Andere veel voorkomende soorten zijn zeekoeten, noordse stormvogels, grote jagers, alken, jan-van-genten, aalscholvers en drieteenmeeuwen. De meeste van deze vogels jagen op haringen, rivierkreeften en kleine palingen. Meer landinwaarts vindt men eidereenden, goudpluvieren, snippen, rotsduiven en de nationale vogel van de Færøer, de scholekster of tjaldur. Meer dan 200 soorten vogels bezoeken de eilanden tijdens hun trek naar het zuiden. De enige roofvogel is de dwergvalk. De beste tijd om vogels te observeren is de zomer, van april tot en met augustus en alle soorten zijn beschermd. In de zee rond de eilanden zwemmen grote scholen grienden. Jaarlijks worden er tussen de 1.500 en 2.000 exemplaren door de lokale bevolking gedood tijdens de 'grindadráp', de jacht met motorboten. Andere walvissoorten zijn vinvissen, orka's, dolfijnen en bruinvisssen. Verder heel veel schapen, waarschijnlijk zijn er twee keer zoveel schapen als mensen op de Færøer.